Beweeg met de muisaanwijzer
over de gekleurde gedeelten.
Klik om het effect van het
stuurorgaan te zien.
Een vliegtuig beweegt omheen
drie assen. De
stuurorganen (stuurknuppel en richtingsroerpedalen) van
een zweefvliegtuig zijn identiek aan die in de meeste
andere vliegtuigen.
Het hoogteroer wordt bediend door voorwaartse (sneller
vliegen) of achterwaartse (trager vliegen) uitslagen met
de stuurknuppel. Uitslagen naar links en rechts besturen
de rolroeren en doet het vliegtuig hellen. De bewegingen
van het richtingsroer gebeuren via de voetpedalen en
doet de neus van het vliegtuig naar links of rechts
bewegen. Het richtingsroer wordt altijd samen met de
rolroeren gebruikt.
Krachten
Een motorvliegtuig
kan zich in de lucht voortbewegen via het vermogen van
de motor (trekkracht propeller). Bij een
zweefvliegtuig daarentegen ontstaat deze trekkracht door
het gewicht van het zweefvliegtuig. Door de
zwaartekracht wordt het vliegtuig naar beneden
getrokken. Zonder vleugels zou het gewoon vallen. Dank
zij de vleugels en de wijze waarop zweefvliegtuigen
worden gebouwd, wordt de neerwaartse kracht gebruikt om
een voorwaartse beweging te verkrijgen. Een
zweefvliegtuig voert dus voortdurend een daalvlucht uit.
Door het bewegen
door de lucht ontstaat er wrijving (weerstand of drag).
Bij voldoende snelheid zorgt de luchtstroom over de
vleugels voor voldoende lift om het gehele
zweefvliegtuig te dragen.
Moderne
zweefvliegtuigen kunnen een glijgetal bereiken van 60.
Dat wil zeggen dat in rustige lucht en indien het
windstil is, bij een hoogte van 1000 meter, bij normale
snelheid een afstand van 60 kilometer kan worden
afgelegd.