|
Indien lucht
tegen een heuvel of berg wordt geblazen dan kan
de baan van deze lucht een opwaartse richting
krijgen. In ideale omstandigheden kan de
zweefvlieger hiervan gebruik maken en hoogte
winnen door over de rug van de berg te vliegen.
Achter de
heuvel maakt de wind een krul (turbulentie) en
kan voor hoogteverlies zorgen en is te vermijden
indien onvoldoende hoogte bereikt werd om het
gebied te verlaten.
|